Jongeren en een diaconaal werkende kerk

Hieronder volgt de lezing van Rikko Voorberg die hij heeft gehouden op de landelijke diakendag op 6 oktober 2012.

 

Hoi allemaal,

Ik ben Rikko Voorberg, vader van een zoontje van anderhalf, getrouwd, dus ik hoor d’r niet meer bij – bij de doelgroep. Bij jongeren. En zo te zien de meeste van jullie ook niet. En dat is niet erg hoor. Er is niets zo beroerd als jongeren die aan ouderen uitleggen hoe je hen moet behandelen en wat je voor hen moet doen. Er is ook niets zo inspirerend voor de jongere generatie als een gedreven, energieke, levendige iets-oudere generatie die hen voorgaat. En waar ze ook gewoon op kunnen schelden en dan tóch enthousiast meedoen.

Maar er zijn vandaag ook een paar jongeren meegekomen. En dat is mooi. Want de diaconie is nou niet het meest sexy onderdeel van de kerk. Jongeren kennen de dominee, de jongerenwerker, soms de (jeugd)ouderling. Ze kennen de koster want die houdt ze voortdurend in de gaten en ze kennen de mannen die op gemeentedagen aan de bbq staan en het bier beheren. Maar de diaken? Tsja…

De diaken

 

Zelf had ik altijd het idee dat juist die mannen diaken werden die niet goed genoeg waren voor ouderling. Niet grijs genoeg, niet gewichtig of gestudeerd genoeg, niet genoeg kinderen. Dat soort mannen. Tot ik erachter kwam, pas na mijn studie theologie, dat de diaconie eigenlijk het enige werkelijk belangrijke is van de kerk. Heb je ooit een profeet of een apostel horen foeteren op een kerk die te weinig preekte en teveel voor armen, wezen en weduwen zorgde? Juist andersom! Jakobus, Amos, Jesaja. Ze meppen vrome kerken zonder daden links en rechts om de oren. Ons gevaar ligt er echt niet in dat we te weinig preken, hoogstens te slecht. Ons gevaar ligt erin dat we te weinig doen. We hebben ooit geroepen dat we niet gerechtvaardigd worden door werken en zijn vervolgens in een kerkbank gekropen om op een kerkbank met luisteren de hemel te verdienen. En de diaconie mocht, als niemand keek, hier en daar een goed werk doen, maar er zich absoluut niet op laten voorstaan.

Stiekem droom ik van kerken waar diakenen de dienst uitmaken, het beleid bepalen. Het is een droom hè, dus een beetje los van de realiteit, maar droom even mee.

  1. Diakenen hebben dan met woningcorporaties gepraat over waar de grootste nood is. Ze hebben aan de thuiszorg gevraagd welke zorg er bij inschiet, nu de thuiszorg gekort is op hun gelden. Ze kennen de voedselbank en de schuldsanering – en die kennen hen.
  2. Ze hebben de koppen bij elkaar gestoken en zich afgevraagd wat de kracht is van de gemeente en dat netjes in beeld gebracht.
  3. En dan komen ze bij de kerkenraad met de visie voor de kerk. Ze verdelen de verschillende taken. De dominee wordt gevraagd om de gemeente van geestelijk voedsel te voorzien zodat ze ook werkelijk in genade kunnen gaan doen wat gedaan moet worden. De ouderlingen zien erop toe dat niemand die aan het avondmaal gaat, weigert om aan deze taak mee te doen. Je kunt niet aan Jezus’ tafel een beetje doen alsof je neus bloedt. Ouderlingen en dominee akkoord?

En toen werd ik natuurlijk ergens wakker. Absurde droom. Maar toch, de droom suddert na.

De wending

De verandering in mijn kerkvisie heeft alles te maken met mijn werk voor Stichting Hulp in Praktijk (HiP) in Amsterdam. Voor HiP sprak ik met honderden kerken, van klassiek katholiek tot Ghanees charismatisch. Ik vroeg hen om mee te doen, om te helpen, om beschikbaar te zijn voor mensen in nood. Enkel en alleen met datgene wat ze over hadden.

Er gebeurden twee dingen: Allereerst werd ik zelf diep innerlijk overtuigd van het bijbelse van diaconaat naar buiten toe en het noodzakelijke ervan wil je jezelf überhaupt christelijke kerk mogen noemen! En ik zag de behoefte die er in de stad is aan dat soort kerken. Ten tweede zag ik hoe weinig de kerk klaar is voor deze taak. Elke kerk is bezig om zijn kerk draaiende te houden. Een katholieke deken legde me uit dat er een enorme vrijwillige inzet is binnen de kerken, maar dat 90% gaat naar het draaiende houden van de toko, slechts 10% naar hulp naar buiten toe. Als ik vraag aan kerken wat ze over hebben is het niks: we komen al niet toe aan de zorg voor elkaar. U kent dat argument. Maar met voor onszelf zorgen zijn we geen kerk. Het unieke van het christelijke verhaal is helemaal niet dat we goed voor de ‘onzen ‘ zorgen – dat doet iedereen. De voetbalclub doet dat ook. Dat is geen kerk. Waarin doen wij meer dan het gewone?! Het christendom komt met de unieke stelling dat we moeten zorgen voor mensen aan wie we niets hebben. Mensen voor wie niemand zorgt, die het niet verdiend hebben, die niets hebben terug te geven. Omdat we zelf zulke mensen zijn.

Maar je wilt toch als diaken helemaal geen beleid maken? Jij zorgt ervoor dat er geld terecht komt bij mensen in de kerk die het echt nodig hebben. Punt. Verborgen stille hulp. Zo zijn de taken verdeeld in de kerk. De meeste van jullie zijn helaas niet gevraagd om een diaconale gemeente te creëren en worden daar ook niet op afgerekend. Jullie zijn gevraagd om hier en daar geld toe te stoppen.

Ik ben er van overtuigd dat we niet langer moeten accepteren dat diaconie in onze kerken uitgevoerd wordt door een speciaal groepje mensen die dat in stilte doen. Het is té slecht voor de kerk, theologisch en bijbels gezien. Maar het is ook té slecht voor onze jongeren! Mijn stelling is dat open, actief diaconaat van de gemeente naar buiten toe noodzakelijk is om christelijke kerk te zijn. En dat open, actief diaconaat van de gemeente naar buiten noodzakelijk is voor de generatie van de toekomst: onze jongeren.

Stellingname:

Allereerst is actief diaconaat van de hele gemeente naar buiten toe noodzakelijk om christelijke kerk te zijn. Laat de rest van de structuren van de gemeente daar dienstbaar aan zijn. De mensen die dat proces leiden moeten diaconale mensen zijn, met hart voor de stad of het dorp en oog voor de nood en de kracht van de gemeente. En bovenal: met het lef om die positie in te nemen.

Misschien denkt je, dat ben ik niet. Dat kan. Neem dan met mij even de tijd om te kijken of dit plaatje klopt en terecht is voor de toekomst van jouw kerk en het christelijke gehalte van je kerk. Dan komt daarna wel welk poppetje op welk plekje hoort.

Twee argumenten:

Ik heb twee argumenten voor mijn eerste stelling. De eerste is sociologisch. Rodney Stark is een Amerikaanse socioloog, een autoriteit op zijn gebied. Hij onderzocht de groei van religieuze gemeenschappen als sociologisch fenomeen. Was er een sociologische verklaring voor de snelle groei van de eerste kerk of was het een Godswonder? Beide, volgens hem.

Twee grote pest-epidemiën zorgden voor een bijna epidemische groei van het christendom zegt hij. Als de pest uitbrak, een ziekte waarvan we nu weten dat hij met hygiene en verzorging te overwinnen is, vluchtte iedereen die niet besmet was de stad uit. Met name de mensen uit de hogere regionen die het geld daarvoor hadden. Zeker alle doktoren. Als de pest uitgewoed was, werd de stad gereinigd en begon men sterk uitgedund opnieuw. Er was geen alternatief.

Tot er christenen in de stad woonden. Die eerste christenen hielden er denkbeelden op na die werkten. Ze geloofden werkelijk en diep van binnen wisten ze dat ze hun naaste buren, heidenen die hen het leven veelal zuur maakten, niet konden laten creperen. Ze verzorgden hen. Ze begroeven lichamen, zodat de pest zich niet verder verspreidde. Velen stierven, maar veel christenen bleven gespaard vanwege hun hygiene en zorg. Vele heidenen ook, die gered waren door christenen – die wel een hele sterke god moest hebben als die sterker was dan de duivelse pest.

Deze christenen geloofden werkelijk in een nog mooier leven na de dood en offerden zich ervoor op. Zij wisten niet dat hygiene zou helpen, zij berekenden niets, zij waren niet ervoor verantoordelijk om zoveel mogelijk van hun leven te maken. Zij moesten zorgen als Jezus. Punt. Velen sloten zich bij deze gemeentes aan. Omdat ze de zorg hadden ervaren, omdat ze zagen hoe ze leefden. Veel later ontdekten ze pas waar deze gemeenschap precies in geloofde. Het begon met het zien van de werken. Het eerste wat de heidenwereld tegenkwam van de chrsitelijke kerk was een paar uitgestoken zorgende handen. Het werkt! En hoort te werken, dat geloof van ons.

Een tweede argument komt van mijn Amsterdamse ervaringen. Ik ben gemeentestichter in Amsterdam. Tussen kunstenaars en anarchisten. En dan ga je alle fundamenten weer eens bij langs. Waar roep ik mensen toe op? Wat moet de kerk eigenlijk doen? Leren geloven. Maar waarin? Geloven zelf is nog niks, je gelooft ergens in. Ja, In Jezus. En wat zei Jezus dan. Hij riep dat het koninkrijk van God nabij was en we ons moesten bekeren en geloven. Waarin? Bekeren waartoe? De woorden geloof, bekering, koninkrijk zijn allemaal nog verwijzende woorden naar een inhoud. Wat is dan die inhoud? Jezus wilde volgelingen, maar om wat te doen? Wat was zijn kern? En toen vond ik het opeens, de plek waar Jezus helder is. Wat Jezus kwam doen en waarin wij hem moeten geloven – en daarvoor moeten we in hem geloven – daarvoor moeten we ons organiseren in een nieuw israel in kerken en gemeentes – hierin:

De Geest van de Heer rust op mij

Want hij heeft mij gezalfd

Om aan armen het goede nieuws te brengen

Heeft hij mij gezonden

Om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken

En aan blinden het herstel van hun zicht

En onderdrukten hun vrijheid te geven

Om een genade jaar van de Heer uit te roepen.

Jezus kwam als diaken en organiseerde een diaconale gemeenschap – van mensen die zelf bevrijd waren van ellende, uit gevangenschap, van onderdrukkende denkbeelden – wat als verlossing van de zonden betekent dat God het ons vergeeft als we niet diep diaconaal zijn geweest. Dat hij stierf omdat we geweigerd hebben in navolging van God zelf voor de ander te zorgen. Dan is diaconie de kern en het centrum van onze kerk. Dat betekent niet dat we de zweep erover moeten leggen. Het betekent dat we werkelijk genade gaan preken en doen. We hebben de preken en de organisatie van de kerk keihard nodig om aan die ongewone, onmenselijke taak te voldoen – om om te zien naar mensen die niet op ons zitten te wachten. We hebben het Woord keihard nodig om diaconaal te kunnen zijn. Maar laat dat dan ook de volgorde zijn.

Genadige actie:

Ooit liftte ik van Portugal terug naar Nederland. Een Portugese Nederlander pikte ons op. Hij betaalde ons eten, onze overnachting, we hadden het goed. Maar zoveel goedheid kon ik niet zomaar laten gebeuren en ik zei hem dat ik wilde meebetalen. Hij weigerde dat en zei: geef jij, als jij in mijn positie bent, het maar weer door aan iemand die dan in de positie is waar jij nu in bent. Hij geloofde niet, maar was een fantastisch voorbeeld van genade.

Jongeren:

En wat heet dat met jongeren te maken? Dat is immers het thema van deze dag. Daar kan ik heel kort over zijn. Dít, dit wat ik nu vertel, een hervertelling van het verhaal van de kerk, dát verhaal kan ik aan jongeren vertellen. En misschien zullen ze er niet allemaal op zitten te wachten om dit gelijk ook te gaan doen, maar ze zien wel een kerk die zich aan haar woord houdt. Die doet wat ze zegt. Die uit één stuk is. Een kerk die hoopgevend is en inspirerend. Waar jongeren ook zo in kunnen participeren, want handen zijn altijd nodig. Dat is de kracht van een genadige, diaconaal werkende kerk. Die kun je uitleggen. En daarin kun je meedoen.

En wat ook belangrijk is: jongeren geloven je niet meer als je niet doet wat je zegt. In onze tijd geloven we niet meer in abstracte constructies, maar geloven we het als het werkt. Oud en jong, vooral die laatste.

Kortom, déze kerk kun je

1. Aan jongeren uitleggen.

2. Daarin kunnen ze meteen participeren of ze nu kind zijn of oude van dagen en

3. Zonder dit geloven ze je niet meer.

 

Zo simpel is het.